Een vrouw met zijden jurk zit op een stoel aan een tafel en bekijkt in een spiegel het juweel rond haar hals. Achter haar staat een man, half voorovergebogen, zijn ene hand op de rugleuning van de stoel van de dame en in zijn andere hand een juwelendoosje. Zijn hoed en mantel liggen op een stoel achter hem. De muren van de kamer zijn onderaan bekleed met een houten lambrisering en erboven met behang (goudleer?) met florale motieven.