Drie koningen bewegen zich van links naar rechts door een besneeuwd landschap, gehuld in mantels. De achterste koning (Caspar) draagt een tulband met een pluim, heeft een zwarte huidskleur en lacht naar de andere koningen. De middelste koning draagt een hermelijnmantel en een platte hoed met daarboven een kroon. De eerste koning draagt een bontmuts en heeft een ruige baard. Het is nacht. In de verte staat een huisje met ernaast een boom.